Ik huur al vele jaren een vakantiehuisje in de duinen. Het is geen echt luxe onderkomen, maar als het weer goed is ga ik toch naar buiten. Ik neem de benodigde spullen mee en na een anderhalf uur in de auto sta ik in het zanderige landschap naar konijnen, herten en soms koeien te kijken. Rust aan alle kanten, niets moeten, niets hoeven, weinig willen, dolce far niente.
Vroeger, toen ik nog wild en jong was trok ik erop uit met mijn bromfiets en ging ik op de bonnefooi ergens kamperen. Kamperen is een geheel andere tak van sport. Begin jaren ‘60 vertrokken mijn broer en ik op onze trouwe Puchs naar Parijs. Dat leek ons een mooi avontuurlijk reisdoel. We hadden een piepklein tentje, slaapzakken, kleding en kookzooi in plunjebalen geperst. Deze balen werden dwars achterop gebonden en dan kon onze Odyssee van start. Onze heenreis werd getekend door het afwisselen van de vier jaargetijden in drie dagen tijd. Aan het eind van de 3ᵉ dag werd ons het lopen bemoeilijkt door de lange zit op het rubberzadeltje in een doorweekte spijkerbroek, waardoor het bovenlichaam korter en de benen langer leken te zijn geworden.
We sloegen onze tent op bij de camping municipal in het Parijse Bois de Boulogne. Echter voor wij daar arriveerden kwamen wij in het waanzinnig drukke verkeer rond de Arc de Triomph terecht. Al rondjes rijdend op de Place de l'Etoile kwamen we steeds dichter bij dit bouwwerk om af te kunnen stappen en het te bewonderen. Mijn broer, een doorgewinterde marinier, scheurde erop los, ik moest wel volgen. Met de overhangende plunjebalen hebben we een berg autospiegels aangerand of het een lust was, tegelijk werd ons Franse vocabulaire uitgebreid met een serie hoogst intimiderende verwensingen, die ik mij nu nog vaag kan herinneren, zeker als ik zwaar getafeld heb.
Aangekomen op de camping liet ik mijn zwaar bepakte Puch tegen een caravan vallen. Door het lawaai zwaaide de caravandeur open en schreeuwde een overspannen Fransoos dat we moesten opdonderen. In zijn hand had hij zijn grootste keukenmes, type machete, meegenomen. Leuk begin en bon soir.
Andere plek zoeken vlak bij de latrines. Ik had nog nooit zo'n wc aanschouwd met gemetselde voetsteunen en een gat in de grond. Bij het doorspoelen van de plee werd mij duidelijk dat ik op de verkeerde plaats stond en tot mijn knieën toe werd natgespoten! Buiten gekomen werd ik met hoongelach begroet door een vrolijk gezelschap kampeertuig, dus op weg naar weer een andere plek; nu tussen een zootje zuipende hippies. Voordeel: een drankautomaat stond binnen handbereik.
Een week later met nog maar een beetje poen terug naar Nederland getuft: home sweet home. Eindelijk uitslapen… hoewel: pech hoort ook in het verhaal. In Luxemburg hield de Puch van mijn broer er mee op. De uitlaat zat potdicht met koolaanslag. Een lokale middeleeuwse fietsenmaker had vermoedelijk nog nooit een brommer gezien en rommelde wat aan het motorblokje. Geen resultaat. Broerlief verloor zijn geduld en wilde hem te lijf gaan. Kon hem nog net tegen houden terwijl de diepgeschokte man zich elders in zijn werkplaats verborgen hield. De zaak koelde af en broer ging met openbaar vervoer naar huis; ik op mijn nog functionerende brommer naar onze woonplaats Rotterdam.
En zo was ik grotendeels genezen van mijn verlangen om avontuurlijk te kamperen.
Maar goed, anno 2025 naar Ouddorp,
‘Waar de blanke top der duinen schittert in de zonnegloed. Juich ik aan het vlakke strand en de Noordzee vriendelijk bruisend Neerlands smalle kust begroet ‘K heb u lief mijn Né-hé-derland.’ Enz, enz. laat maar zitten. Dat is de juiste tijd voor een stevige portie gekruide kibbeling en een pot blond schuimend bier.