Mijngas
In die jaren vijftig werden de huizen nog volop verwarmd met steenkool dat werd gedolven in mijnen diep onder de grond. Tijdens het hakken kwam er als bijproduct het reukloze mijngas vrij. Er waren diverse dodelijke varianten zoals koolzuurgas (CO2), het ontplofbare methaangas (CH4), stikstofgas (N2) en koolmonoxide (CO).
Tegen het einde van de negentiende eeuw ontdekte de Engelse onderzoeker John Scott Haldane dat kanaries reeds bij een zeer lage concentratie mijngas van hun stokje vielen. Vanaf 1911 werd het een standaardgebruik dat iedere ploeg mijnwerkers een vrolijk fluitende kanarie meenam naar het ondergrondse kolenlabyrint. Dit waren kanaries die niet goed verkoopbaar waren omdat hun verentooi vlekjes vertoonde en omdat ze iets minder goed floten dan hun concurrenten. Die ‘tweederangs’ kanaries vonden het prima.
Voor de mijnwerkers was het kanariegefluit als een radio. De arbeiders floten terug. Er waren kanaries die de deuntjes van de mijnwerkers kopieerden. De kanarie is een solitaire vogel die geen andere kanaries om zich heen kan velen. Aandacht van mensen vinden ze fantastisch en in de mijnen kregen ze dat in overvloed. Na werktijd gingen de kanaries terug naar enorme volières waar ze heerlijk konden vliegen. Doordat de vogels van nature hooguit vijftien jaar leven liepen ze geen stoflongen op zoals de mijnwerkers.
De mijnwerkers waren dol op de vrolijke fluiters behandelden ze de vogels als een huisdier.