Vrije tijd
Naast de moeilijke kanten van thuis, vertelde ze ook dingen die juist een heel levendig beeld geven van haar jeugd. Ze woonde in een flatgebouw met meerdere gezinnen en daar werd veel gespeeld. Het trappenhuis was overdekt en zat vol glas, en dat was voor kinderen eigenlijk een perfecte plek om samen te zijn. Ze maakten er tenten, legden spullen neer en verzonnen steeds iets nieuws. Ook was er een zwembad van de personeelsvereniging van Shell, omdat haar vader daar werkte. In de zomer gingen ze daarheen en zaten ze er bijna de hele dag. Als ik dat hoor, krijg ik wel een beeld van een jeugd waarin kinderen veel zelfstandiger buiten waren. Er was tijd om te spelen en om zelf dingen te verzinnen. Mijn oma zei daar ook iets interessants over: volgens haar hadden kinderen vroeger niet per se meer uren op een dag, maar voelde de tijd rustiger. Nu is alles veel meer gehaast. Jongeren hebben school, sport, afspraken, telefoons, sociale media en zijn de hele tijd bezig. Vroeger kwam je uit school en had je gewoon nog tijd over om buiten te spelen voordat er weer iets moest.
Dat verschil tussen rust en haast komt vaker terug in haar verhaal. Ze zegt dat de wereld nu veel sneller gaat. Niet alleen voor jongeren, maar in het algemeen. Ze vindt ook dat techniek daar een grote rol in speelt. Ze kan best met digitale dingen omgaan, maar ze ergert zich eraan dat systemen steeds veranderen, apparaten verouderen en je als het ware gedwongen wordt om telkens iets nieuws te kopen. Ze gaf het voorbeeld van software en abonnementen die duurder worden, terwijl oudere apparaten geen updates meer krijgen. Dat vindt ze oneerlijk. Daar zit voor haar ook iets groters achter: de maatschappij is volgens haar ingericht op doorgaan, vernieuwen en vervangen, en minder op mensen die niet zomaar mee kunnen. Vooral ouderen raken dan sneller buitengesloten. Dat merk je ook in praktische dingen. Als je minder goed loopt en afhankelijker wordt, wordt je wereld kleiner. Tegelijk wordt juist verwacht dat je alles digitaal regelt.
Dat ouder worden kwam sterk naar voren in hoe ze haar leven nu beschrijft. Haar dagen zijn veel rustiger dan die van mij. Ze staat op, doet haar rituelen, gaat wandelen als het kan, kookt, rust in de middag en houdt zich bezig met kaarten maken, schrijven en haar cursussen. Ze doet nog best veel, maar je merkt wel dat haar lichaam haar begrenst. Lopen gaat minder goed, lang weggaan kost moeite, en daardoor voelt haar leven kleiner dan vroeger. Wat ze vooral mist, is praktische hulp. Niet meteen iets groots, maar juist een klusjesman, iemand die even iets kan maken, tillen of ophangen. Daardoor kwam ze op een idee dat ik eigenlijk best logisch vond: waarom wonen jong en oud niet veel vaker door elkaar? Jongeren hebben woonruimte nodig, ouderen kunnen soms hulp gebruiken, en tegelijk kunnen generaties ook iets voor elkaar betekenen. Dat vond ik een mooi punt, omdat het laat zien dat zij niet alleen terugkijkt op haar eigen leven, maar ook nadenkt over hoe de maatschappij beter zou kunnen.