Open voor jou - Pim Visser

GRAAF ENGELBRECHT 4 juni 2026 Redactie Leerlingen Graaf Engelbrecht
26060301pimvisserge

Een vast onderdeel bij burgerschap voor het vak maatschappijleer is een interview met een persoon uit een andere generatie. Deze gesprekken zijn ontroerend, grappig, leerzaam en bovenal herkenbaar. Het geeft de leerlingen inzicht in de levens van oudere personen (vaak de Opa en Oma) en leert hen op andere wijze te kijken naar de maatschappelijke ontwikkeling. Met heel veel plezier werken de leerlingen aan deze opdracht. Een interview met de oma en opa van Pim.

Toen ik hoorde van deze opdracht, heb ik meteen mijn oma een appje gestuurd. Ik vroeg of we binnenkort eens een bakje thee konden drinken en samen konden praten voor een schoolopdracht van mij. Mijn oma vindt het altijd leuk om haar kleinkinderen te zien. Haar vier kleinzonen betekenen heel veel voor haar en daarom vond ze het ook leuk om mee te werken aan deze opdracht.  

We hebben daarom snel een afspraak gemaakt. Toen we elkaar zagen, hebben we samen thee gedronken en heb ik haar vragen gesteld over vroeger, zodat zij mij informatie kon geven voor mijn opdracht.

Ik ben begonnen met wat basisinformatie over mij en mijn oma. Mijn oma heet Ria Maes en zij is geboren op 17 mei 1951 in Breda. Daarna ben ik doorgegaan met vragen over haar thuissituatie vroeger.

Ik vroeg haar: “Hoe was het leven vroeger bij jullie thuis?” Ze vertelde meteen dat ze met veel meer kinderen waren dan we tegenwoordig normaal vinden. In totaal waren ze met zes kinderen en zij was de een-na-jongste. Dat had volgens haar ook voordelen. Het was namelijk altijd gezellig thuis.

Ze vertelde dat ze vroeger inderdaad weinig vermaak hadden. Er was niet veel speelgoed, maar dat was volgens haar ook niet nodig, omdat ze elkaar hadden. Ze speelden veel samen met hun broers en zussen. Soms kon het ook wel lastig zijn, omdat je bijna nooit echt alleen was. Er liep of riep altijd wel iemand door het huis.

Een goed voorbeeld daarvan waren de slaapkamers. Die moesten ze met vier kinderen delen. Toch vonden ze dat normaal. Er was ook niet veel nodig: een bed en een plank voor kleding was eigenlijk al genoeg.

Haar moeder was vroeger altijd thuis. Zij zorgde voor het huishouden en de kinderen, wat wij nu een huismoeder zouden noemen. Tegenwoordig klinkt dat misschien ouderwets, maar in die tijd was dat heel normaal. Haar vader werkte juist veel buitenshuis. Hij zorgde ervoor dat er geld werd verdiend om het gezin te onderhouden. Daarom werd hij ook erg gewaardeerd om hoe hard hij werkte.

 

Financiën

We kregen daarna al snel over mijn oma haar financiële thuissituatie. Ze vertelde dat ze het helemaal niet slecht hadden. Kijk, ze hadden geen luxe, maar ze konden prima onderhouden. Er stond gewoon elke avond eten op tafel, meestal zelfs vlees of vis. En dit hoorde ook wel een beetje bij de tijd waarin zij leefde. Het was naoorlogs, de banen hadden ze voor het uitkiezen. En dat zag zij zelf ook wel in dat haar haar broers heel snel een baan kregen en dus gewoon in het huishouden konden meehelpen, financieel gezien.

Mijn oma beschreef deze ouderwetse situatie ook door te vertellen dat haar broers vroeger niets deden in het huishouden. Haar oudere broers waren een stuk ouder dan zij, maar helpen in huis deden ze niet. Pas toen ze ouder werden en gingen werken, droegen ze een beetje bij door geld te verdienen en af en toe financieel te helpen.

Bij haar thuis waren de twee oudste kinderen jongens. Daarom was het in die tijd heel normaal dat zij op een gegeven moment gingen werken. De meisjes daarentegen hielpen vooral in het huishouden. Zij gingen vaak naar de huishoudschool en hielpen thuis mee met taken zoals schoonmaken en koken.

Mijn oma gaf ook een voorbeeld dat duidelijk laat zien hoe het er vroeger aan toe ging. Op het moment dat de mannen thuiskwamen en de kamer binnenliepen, stonden de meisjes meteen op om thee voor hen te zetten. Dat werd toen als heel normaal gezien.

Ik vond dit eigenlijk een bijzonder verhaal om te horen, omdat wij dat tegenwoordig helemaal niet meer gewend zijn. Bij mij thuis is de situatie juist anders. Ik heb alleen een broer en wij proberen mijn ouders juist te helpen waar we kunnen. In mijn thuissituatie doet mijn vader eigenlijk het meeste in het huishouden. Mijn moeder heeft een drukkere baan, terwijl mijn vader veel taken in huis op zich neemt. Hij doet bijvoorbeeld de was, strijkt en kookt. Daarom vond ik het extra interessant om te horen hoe anders dat vroeger bij mijn oma thuis was.

School

Daarna veranderden we van onderwerp en begonnen we te praten over school. Mijn oma vertelde dat het onderwijs vroeger heel anders was dan nu. Tegenwoordig hebben we een basisschool, daarna de middelbare school en soms nog een vervolgopleiding. In haar tijd ging dat anders.

Er was wel een basisschool, maar die was gesplitst. Jongens en meisjes zaten namelijk niet bij elkaar op school. Ze gingen naar aparte scholen. Mijn oma vertelde zelfs dat de jongensschool en de meisjesschool recht tegenover elkaar lagen.

Vanuit het geloof werd het heel serieus genomen dat jongens en meisjes zo min mogelijk contact met elkaar hadden. Daarom werd er zelfs voor gezorgd dat de pauzes niet tegelijk vielen. Op die manier konden de jongens en meisjes elkaar niet begluren vanaf hun eigen schoolplein.

Ik vroeg mijn oma toen of ze buiten school ook met jongens omging. Ze zei dat dat eigenlijk bijna nooit gebeurde. Dat was niet omdat het verboden was, maar omdat het gewoon zo ging in die tijd. De meisjes speelden vooral met hun vriendinnen, terwijl de jongens bijvoorbeeld aan het voetballen waren op een veldje. De meisjes speelden dan bijvoorbeeld met een springtouw in de speeltuin.

Het leven van jongens en meisjes was dus in veel opzichten gescheiden. Dat vond mijn oma heel normaal in die tijd, maar voor mij is het best bijzonder om te horen hoe anders dat vroeger was.

Op het gebied van school was het leven vroeger dus heel anders dan nu. Mijn oma vertelde dat je eerst de lagere school afrondde. Daarna kon je soms nog kiezen voor een soort vervolgopleiding, een richting, een beroep of om te gaan werken. Voor meisjes was dat echter lang niet altijd vanzelfsprekend.

Mijn oma vertelde dat zij in een tijd leefde waarin het voor meisjes niet meer verboden was om verder te leren, maar het gebeurde nog niet vaak. Er waren wel uitzonderingen van meisjes die een beroep gingen leren, maar het grootste deel ging naar de huishoudschool.

Op de huishoudschool kregen ze ook gewone vakken zoals rekenen, Engels en Nederlands. Daarnaast leerden ze praktische dingen, zoals koken, naaien en andere huishoudelijke taken. Het doel was vooral om meisjes voor te bereiden op het huishouden en het zorgen voor een gezin.

Mijn oma vertelde dat het voor haar eigenlijk geen echte keuze was. Het werd gewoon als normaal gezien. Haar zussen hadden allemaal hetzelfde pad gevolgd en daarom deed zij dat ook. In die tijd dacht bijna niemand erover na om een andere richting te kiezen.

Toen we het over school hadden, vertelde mijn oma ook nog een bijzonder feitje dat ik zelf helemaal niet wist. Ik ben er namelijk aan gewend dat mijn zaterdagochtend meestal heel anders eruitziet. Als jonge jongen moest ik vaak op zaterdagochtend voetballen bij Boeimeer. Dan speel ik om half negen een wedstrijd. Daarna ging ik soms kijken bij mijn broer, aten we een broodje in de kantine. Vervolgens ging ik weer naar huis, waar ik misschien nog even ging gamen of met teamgenoten naar buiten ga.

Mijn oma vertelde dat dit vroeger heel anders was. Toen zij op de lagere school zat, moesten ze namelijk gewoon op zaterdagochtend naar school. Dat was in die tijd heel normaal. Niemand vond dat vreemd en er werd eigenlijk ook niet tegen geprotesteerd. Het hoorde er gewoon bij en iedereen was dat gewend.

Voor mij was dat best bijzonder om te horen, omdat ik gewend ben dat de zaterdag juist een vrije dag is. Het laat goed zien hoe anders het leven van kinderen vroeger was in vergelijking met nu.

Dienstplicht

Ik wilde vervolgens verder gaan in het gesprek op de dienstplicht. En ik was niet alleen met mijn oma, mijn opa zat ook aan tafel. Nou, mijn oma heeft niet in dienstplicht gezeten, maar mijn opa gelukkig wel, dus ik kon hem daar wat vragen over stellen . Ik had er wel eens iets over gehoord op vakantie. Het was een grappig verhaal. Hij vertelde waarom hij nooit meer mixdrank dronk. En dat was dus omdat hij in dienstplicht daar een keer zo ziek van was geworden. Dus ik wist al dat hij dienstplicht had gehad, maar hoe dat precies in elkaar zat was ik best wel benieuwd naar. Nou, je werd dus rond je achttiende gekeurd. Vanaf je zeventieneneenhalf kreeg je een oproep en die keuring vond plaats ergens in de buurt. Iedereen probeerde eronderuit te komen, vertelde mijn opa. En dat werd op de gekste manier gedaan. Gewoon fysiek doen alsof je iets gebroken had of alsof er iets mis met je lichaam was, maar ook mentaal. Heel veel mensen probeerden S5 vast te laten stellen over zichzelf. En mijn opa vertelde dat je dan eigenlijk gewoon gek was. Dus mensen zetten zich expres neer als een gek om te proberen onder de dienstplicht uit te komen. Ik vroeg mijn opa ook een persoonlijke vraag, of hij zelf heeft geprobeerd onder de dienstplicht uit te komen. Hij vertelde dat hij liever niet ging, maar niet echt een serieuze poging heeft gedaan om er onderuit te komen.

Mijn opa had aan de technische school afgerond als motormonteur. Hij werd vervolgens bij dienstplicht in hetzelfde schuitje geplaatst, dus motorische voertuigen repareren en onderhouden. En hier kreeg hij zes weken een technische opleiding voor. Hij zat vijf dagen in de week bij de dienstplicht, hij sliep daar ook, dus gewoon een pension daar. Hij werd daar overdag bijgeschoold en in de avond was er wat vrije tijd. In de weekenden mocht hij al naar huis, dat was in de jaren voor hem niet altijd al zo. Er waren ook tijden dat de mensen daar gewoon zeven dagen in de week vastzaten, zes weken achter elkaar. Maar mijn opa mocht in de weekenden naar huis. In Utrecht heeft hij zijn dienstplicht afgerond. En ik vroeg hem ook van, had je dan een keuze? Stel je voor, je vond motorvoertuigen heel interessant om aan te werken, maar je vond aan legervoertuigen en tanks helemaal niks aan. Zou je dan een keuze hebben om iets anders te doen? En toen vertelde hij eigenlijk dat in de dienstplicht er geen keuze was. Je moest gewoon doen wat er van je gevraagd werd. En het was heel handig voor de militaire diensten dat ze hem niet heel veel meer hoefden bij te scholen, dat hij al heel veel wist over voertuigen. En daar maakten ze in het leger gewoon gebruik van.

Hij vertelde dat hij na de zes weken opleiding 15 maanden ging werken voor het leger. Hij was eigenlijk vooral bezig met het onderhouden van de motorvoertuigen die ze in het leger kenden, dus tanks, tankwagens, noem het maar op. Ze hadden kampen en trainingen. De elektriciteit in het kamp werd ook onderhouden door de motormechanisten. Zij waren een soort van de technische hand van het leger. Hij vertelde dat de periode hem vooral doet denken aan het vele drinken en feesten. Hij vond het met mate heel gezellig en hij vertelde ook over de verschillende rangen in het leger en dat ze dus ook een keertje bij de hoogste rang kantine waren binnen geslipt en daar de hele avond hadden gefeest. En zo kwam eigenlijk dat verhaal van de vele mixdrankjes omhoog. Ik vond het heel interessant om dit te horen en het klonk ook echt als een voor mij onwerkelijke situatie, want ik kan het in de tijd van nu echt helemaal niet voorstellen dat je weken tot maandenlang wordt opgeleid tot iets wat je helemaal niet wil. Ik ben altijd zelf opgevoed met het idee ‘Doe vooral wat je leuk vindt’. En het is dan toch erg interessant om te horen dat dat niet altijd zo was.

Ik vroeg toen aan hem van, hoe werkte dat dan daarna, soort van? Want hij vertelde dat hij dus na het afronden van de technische school in een garage is gaan werken waar hij ook werkte voor hij in dienstplicht ging. En hij vertelde dat het op dat gebied nog wel heel goed geregeld was. Als je een baan had, werd het bedrijf verplicht gesteld om jou weer in dienst te nemen als je terugkwam van je militaire dienst. Hij vertelde ook dat hij een beetje ruzie had gehad met de chef van de garage waar hij werkte. Hij had blijkbaar niet bij de juiste man aangegeven dat hij dus naar dienstplicht moest. Dus hij was gewoon vijftien maanden kwijt geweest. En die nam het hem heel kwalijk dat hij hem nooit persoonlijk had verteld dat hij wegging.

Oorlog

We kregen daarna al snel een gesprek over de oorlog. Mijn opa en oma zijn allebei na de oorlog geboren, maar ik was wel erg benieuwd of er nog iets thuis gemerkt werd van het oorlogstrauma. Mijn oma vertelde dat er thuis echt wel over de oorlog werd gesproken, maar niet veel. Ik vroeg ook nog of er bijvoorbeeld iets qua verzet was ondernomen in de gezinnen. Mijn oma vertelde dat er wel Poolse soldaten in huis  hadden gehad, net voor of tijdens de bevrijding. Ook vroeg ik of het leven in Breda die tijd veilig was, of ze daar wel eens met de ouders over gehad hadden. Oma vertelde dat er echt nog wel gevlucht werd. Er werd veel gevlucht naar bijvoorbeeld Rijsbergen, bijna heel Breda ondernam deze stap, dus dit was helemaal niet gek. Daarna kwam eigenlijk het gesprek op dat na de oorlog het leven eigenlijk wel echt verder en verder vooruitging. Het ontwikkelde zich heel snel en dat was ook bijvoorbeeld te zien aan dat er door de wederopbouw heel veel naar werknemers werd gevraagd. Maar oma heeft nooit echt het idee gehad dat de verhalen thuis werden verzwegen. Dus het was geen soort taboe waar niet over gepraat mocht worden. Ze vertelde ook dat haar zus de Engelse ziekte had gehad. Dat is een soort aandoening, een soort botziekte die ontstaat rond een tekort aan vitamine D. En dit komt vaak door een gebrek aan juiste voeding of aan zonlicht. En dit kon gelukkig weer opgelost worden door het innemen van genoeg vitamine D.

Ik vroeg hierna naar de tijd na de oorlog, omdat zij hieruit kwamen. Dus ik vroeg of er bijvoorbeeld nog actieve feesten waren of actieve herinneringen waren aan bevrijdingsfeesten. Hier kwam een beetje een discussie op. Mijn opa die dacht echt dat hij nog een actieve herinnering had aan dat hij moest zingen op een plein met zijn schoolgenootjes tijdens bevrijdingsfeesten. Mijn oma wist eigenlijk vrij zeker dat dit voor een andere gebeurtenis was. Uiteindelijk hebben ze samen in hun herinneringen gegraven en kwamen ze erachter dat mijn oma inderdaad gelijk had en dat er dus geen actieve herinneringen waren aan bevrijdingsfeesten. Daarna ging het onderwerp weer terug naar de oorlog. Mijn oma vertelde dat haar ouders een kruidenierszaak hadden in de oorlog en dat dit best wel lastig was te onderhouden in die tijd. Er werd met, zoals ik al geleerd had, met voedselbonnen gewerkt om het tegen te gaan dat de mensen onderdoken. Je kreeg dus maar een max aantal bonnen per huishouden die je dan kon inwisselen voor voedsel. Dit zorgde ervoor dat ze hoopten dat onderduikers verhongerden of aan het daglicht moesten komen. Maar mijn oma vertelde dat dit voor de winkel ook heel lastig was. Zij konden namelijk ook pas hun voorraad inkopen als ze bonnen van andere mensen hadden gekregen. Dus dat betekent dat als mensen bij hun tien broodjes kwamen halen met tien bonnen, dat de ouders van mijn oma pas vanaf dat moment die broodjes konden gaan kopen bij bijvoorbeeld de bakker. Dit zorgde ervoor dat het lastig was om een winkel te runnen en eigenlijk op economisch zakelijk gebied was deze situatie natuurlijk verre van ideaal. Ook vertelden ze dat er vroeger met rekeningen werd gewerkt. Er waren bijvoorbeeld mensen die één keer in de week maar in de winkel betaalden. Die bouwden dan een soort van schuld op en dat losten ze elke maand of week bijvoorbeeld af. Op een gegeven moment begonnen mensen te emigreren richting Australië of richting Azië. Ze gingen alle kanten op, maar er waren dus ook gewoon mensen die hun rekening niet afbetaalden. Dus misschien wel op tientallen plekken wekelijks rekeningen hadden openstaan en gewoon vertrokken. Ik vroeg hoe zij dan naar deze mensen keken. Mijn oma vertelde eigenlijk dat de verhalen over emigranten toentertijd heel slecht waren. Emigranten waren weglopers. Mensen die meestal ook nog eens hun zaken in Nederland niet goed regelden voordat ze weg gingen. Zoals bijvoorbeeld de achterstallige betalingen.

Geloof

Ik kwam daarna in gesprek over geloof. Mijn oma vertelde dat vroeger geloof heel belangrijk was. In haar leven was de pastoor echt de baas. Als de pastoor vertelde hoe iets moest, dan gebeurde het op die manier. Ze gingen elke zondag naar de kerk. Ik vroeg of dit voor hun dan ook echt een rustdag was, maar dit was niet het geval. Toen werd ze eind van de ochtend, begin van de middag richting de kerk gegaan en hierna werd er bijvoorbeeld ook nog gewoon echt buiten gespeeld. Er was niet over te discussiëren. Heel de straat was katholiek. Iedereen ging naar de kerk en iedereen, ook kinderen, moesten gewoon verplicht naar de kerk. Tot haar zestiende jaar moest mijn oma naar de kerk, verplicht. Hierna werd het haar eigen keuze. Ze vertelde ook dat ze bijvoorbeeld wel eens stiekem niet naar de kerk ging. Dan vertelde ze dat ze bij een vriendinnetje was en dat ze daar naar de kerk ging, haar vriendinnetje goede niet per se naar de kerk en dat ze dus tegen haar eigen ouders vertelde dat ze met z'n tweeën naar de kerk waren gegaan. Ze kreeg dan altijd als ze thuis kwam vragen van haar vader over wat er verteld was door de pastoor in die kerk daar. Oma vertelde ook dat vader het geloof heel belangrijk vond. Belangrijker dan haar moeder. Dit zou ook te maken kunnen hebben met dat volgens mijn oma de man enorm werd voorgesteld in het katholiek geloof. Zo ging het ook bijvoorbeeld over de behoeftes en dat eigenlijk een vrouw nooit het recht had om een man te weigeren op het moment dat hij behoeftes had, behalve als zij heel heel hoog zwanger was. Over zwanger leerde ik ook wat nieuws. Ik hoorde namelijk dat op het moment dat er een kindje was geboren, dat de pastoor misschien al wel een week later aan huis stond om te vragen wanneer de volgende kwam. En eigenlijk ook dat de kinderen al binnen een dag gedoopt moesten worden. Mijn oma vertelde toen met de lach van ja, dat was oprecht met de gedachte dat als het kindje binnen een dag zou overlijden, hij al naar de hemel zou gaan. Dit vond ik echt een bizar verhaal. Ik wist wel dat er veel mensen vroeger gedoopt werden en een communie kregen, maar dat dit zo serieus werd genomen en dat er echt gedacht werd dat een babytje die in zijn eerste dag overleed, naar de hel zou gaan. Dat vond ik eigenlijk bijzonder om aan te horen.

Ik vroeg vervolgens wat het geloof betekende in haar leven, hoe ze hier rekening mee hielden. Mijn oma vertelde dat ze een soort van vaste. Ze zorgde dan voor dat er echt alleen de primaire levensbehoeftes werden onderhouden, dus er werd normaal gegeten. Dit betekende voor de kinderen dat ze dus doordeweeks geen snoepjes aten. Deze spaarden ze allemaal op en die aten ze dan op zondag op. Ook heeft mijn moeder mijn oma heel lang in haar leven geen vlees gegeten op vrijdag. Dit was gewoon een regel van het katholieke geloof. Maar oma had zelf al best wel veel twijfels over de kerk en ook haar moeder was niet altijd volledig overtuigd van de kerk.

graafengelbrecht

Droom

We kregen weer een gesprek over school. Mijn oma vertelde dat ze school echt niet leuk vond, er waren geen creatieve vakken. Mijn opa vulde haar aan. Die vertelde dat hij één keer een sportdag had gehad. Toen werd er buiten ergens gehonkbald of gesoftbald. Hij vertelde dat dit eigenlijk voor alle docenten en iedereen die op school werkte al veel te veel moeite was. Er werd eigenlijk vooral gezeikt over hoe alles opgeruimd moest worden en hoe de kinderen in toon gehouden moesten worden. Ik vond het best wel bijzonder om te horen. Als ik denk, ik had vroeger toen ik op de basisschool zat, elk jaar wel een sportdag, elk jaar wel een schoolreisje. We hebben meerdere keren met school een uitje naar de Efteling gehad. Of wat denk je aan de eindmusical en het eindkamp. Dat zulke dingen er vroeger allemaal niet waren, vond ik best wel bijzonder om te horen.

Het laatste echte onderwerp waar ik graag nog wat meer over wilde horen was hoe zij het feminisme heeft ervaren. Mijn oma zei dat feminisme voor haar geen grote rol speelde. Ze leefde eigenlijk al een beetje na die tijd. Ze had toch gewoon een hele sterke mening en dit werd vaak wel geaccepteerd. Er was wel over heel veel dingen geen discussie, maar of dit nou echt te maken had met feminisme, weet zij niet. Dolle mina's kwamen wel echt opzetten. Dit was wel een soort van, ja, overdreven volk, vonden zij. Er vonden veel rare protesten plaats. Maar oma vertelde ook dat door de dolle mina's eigenlijk het topless is ontstaan, het topless zonnen en dat een vrouw haar lichaam mocht laten zien en echt mocht laten zien dat ze iets waard was. Maar oma vertelde wel dat ze een keer een protest heeft meegelopen op nationale vrouwendag. Of dit nou echt was om te protesteren of om was om erbij te horen en gezellig te schreeuwen met z'n allen mocht ik zelf invullen.

Als laatste hebben wij het over de toekomst gehad. Ik vroeg aan mijn oma of ze nog echte dromen had voor de toekomst. Nee, eigenlijk niet echt. Geen persoonlijke dromen. Ze vertelde wel dat ze hoopte dat iedereen goed terecht kwam. Maar ja, ik denk dat iedereen dat toch wel hoopt. Ze vertelde ook wel haar angst voor het bejaardentehuis. Dat vond ze zo levenloos en daar wou ze echt nooit terechtkomen. Nou, maar opa en oma zijn allebei ruim 70, leven nog zelfstandig, hebben af en toe al wat fysieke kwaaltjes, maar ik zie ze niet binnen nu en een aantal jaar met hulp moeten gaan wonen. Dus ik denk dat het met die droom van oma wel goed komt.