Toen was in mijn Rotterdam geluk nog heel gewoon

PENNETJE 2 maart 2025 Column Pennetje
pennetje

“Ik heb een klein keukentje met een fornuis, dat is mijn kamertje, dat is mijn thuis” Dat liedje zongen de Ramblers in de jaren 40. Zowel titel als lied stammen uit de tijd die ver achter ons ligt. Hoe ouder we worden hoe meer we gaan leven met (en in) het verleden.

Ver in het verleden zijn voor mij de jaren 40 en 50; jaren van herstel, wederopbouw en talloze nieuwe uitvindingen, al dan niet geïnspireerd door de verschrikkingen van de oorlog. 

Ik woonde in de sjieke wijk Kralingen boven de broodfabriek van bakkerij Kop. Tegenover ons huis dreef mijn grootvader op de hoek van de straat met één van zijn zonen een handel annex winkel in comestibles. In 1962 mocht ik met mijn Puch brommer bestellingen rondbrengen. Op een dag voor Kerst leverde ik een vers gebraden kippetje af bij een oude dame, een sjiek type dat heel uit de hoogte deed. Op weg naar de klant kwam ik met mijn brommer in een bocht ten val en rolde mijn pannetje met kip op straat. Snel opgepakt met nog een spoortje van de heerlijk geurende jus. Pijlsnel de kip van de straat geraapt en in het pannetje terug gefrommeld. Bij de klant aangekomen, werd ik door de sjieke dame berispt dat er wel weinig jus was meegeleverd. Ik speelde mijn rol als onderdanige delivery boy en zei tegen haar: “Ik zal het tegen de chef zeggen, mevrouw." Ik wist uit ervaring hoe mijn oom deze dame zou uitleggen dat het heel ernstig besproken zou worden met de chef kok, mijn opa dus.

Er werd stevig verdiend door mijn oom en dat maakte hij zichtbaar door bij allerlei beschikbaar komende moderne uitvindingen vooraan te staan bij de kassa om een kakelvers nieuw apparaat af te rekenen. Hij had een van de eerste televisietoestellen begin jaren 50, voorzien van een ronde kijkbuis met een doorsnede van een centimeter of vijftien. Soms werden we uitgenodigd om mee te kijken naar een wedstrijd van Feyenoord. Dan zaten we met een man of vijftien in zijn woonkamer liggend of geknield, zittend in een stoel of gewoon staand ons te vergapen aan zoiets wonderlijks als TV! 

Lang voordat de roep naar kleuren TV klonk, had mijn oom een plastic schermpje gekocht waarop twee doorschijnende kleuren waren aangebracht: hemelsblauw en  grasgroen. Hij plakte dit op de TV bij voetbalwedstrijden en dan was het net of we naar een rapportage in kleur keken. Een neef van mij had als grap het schermpje omgedraaid zodat wij naar blauw gras en een buitenaards groene hemel staarden. Oom gromde.

Oom had het breed en liet het dan ook graag breed hangen. Er was een overdaad aan dranken, van fris tot gevaarlijk sterk. (Verkeerscontrole op alcohol was een nog niet uitgevonden fenomeen!) Uit zijn koelcel werden worsten en augurken aangevoerd die in dikke plakken tot overvoeding toe werden rondgedeeld. Onderwijl werd er stevig gerookt tot de kamer blauw zag. Aan het eind van de kijkavond stelde mijn oom gewoontegetrouw (aan de hand van de hoeveelheid lege drankflessen en de verzwolgen koek en zopie) vast of de avond gezellig was geweest! 

Hij had ook een elektrische koffiemolen, waar ik stikjaloers op was omdat ik dagelijks met de zware houten PéDé molen tussen mijn kinderknietjes de koffie moest malen. Ook kocht hij een taperecorder en hoorde ik voor het eerst mijn eigen stem klinken, wat een wonder! Niet lang daarna een filmcamera. Hij wilde zoveel mogelijk beelden vastleggen in de paar minuten van een nieuwe cassette dat hij de camera tijdens het opnemen van links naar rechts zwaaide waardoor het gezelschap in de kamer bij het bekijken van de rolprent instantelijk door schele koppijn of acute migraine werd getroffen. Het duurde nog een tijd voor hij de techniek van het filmen enigszins begon te begrijpen.

Mijn oom had veel klanten in Kralingen, waar de welgestelden der (lokale) aarde hun domicilie hadden gekozen. Oom reed in een Volkswagen Variant en als deze aan vervanging toe was kocht hij een nieuwe van hetzelfde model in exact dezelfde kleur omdat hij bang was dat de sjiek van Kralingen hem dit niet gunde, hetgeen overigens al op andere vlakken aan hem duidelijk werd gemaakt. 

Ons landje had toen nog maar 11,5 miljoen inwoners, er was ruimte in overvloed, er was geen PFAS, geen gezeur over stikstofnormen, maar nog wel woningnood als volksvijand nummer één die tot ver in de jaren 60 doorging. Niet mauwen, maar bouwen was toen het devies. Ondanks dit was geluk in die jaren nog heel gewoon, ech wel! 

Nu, met lenteweer in mijn tuin, zie ik uit over het landgoed met een groep van acht paarden, die aan het grazen is. Dat uitzicht vind je niet overal! Ach, hoezeer ik mijn Rotterdam ook mis: de Haagse Beemden heb ik in mijn hart gesloten.