Hij wordt gedoopt in de doopkapel van de Sulpitiuskerk. Het is nog een wonder dat de inventaris aanwezig is. 1599 is voor Diest een inktzwarte bladzijde in haar geschiedenis door de gevolgen van de tachtigjarige oorlog. De Oranjestad van de zuidelijke Nederlanden is in handen van Spanje. Spaanse huurlingen die hun soldij niet krijgen zorgen via plunderingen ervoor dat ze ruimschoots aan hun trekken komen. Om de Spaanse soldaten te kunnen onderhouden worden de bewoners van Diest verplicht er een of meer in huis op te nemen. De terreur van de overheid wordt met de week een tandje verder opgeschroefd waardoor de bewoners niet alleen financieel maar ook psychisch lijden onder deze omstandigheden.
Na het vijfde kind, Jan is dan zes jaar oud, krijgt moeder door de stress een burnout en kan ze weinig meer verdragen. De kinderen worden zoveel mogelijk de straat op gestuurd en Jan moet als een herdershond over zijn broertjes en zusjes waken. Omdat het Spaanse leger goed schoeisel nodig heeft krijgt vader Berchmans voldoende werk om zijn gezin te kunnen onderhouden.
Als Jantje zeven jaar is mag hij in Diest naar school. Daar blinkt hij uit als een wonderkind en hij slaat binnen de kortste keren meerdere schooljaren over. Latijn wordt zijn tweede taal. Het liefst wil hij priester worden, tot vreugde van zijn gelovige ouders.