Een hemels fenomeen
Groepjes mensen stonden gebroederlijk bijeen op de Rietdijk om een exclusief hemels fenomeen te aanschouwen: een zonsverduistering. De maan dekte 88% van de zon af waardoor deze er op zijn beurt als een maan uitzag.
Vandaag, 13 augustus, ruim vierhonderd jaar geleden sterft de tweeëntwintigjarige Jan Berchmans in Rome aan longontsteking en dysenterie. Tot op heden is de naam van deze heilige jongeman nog steeds een begrip. In dit artikel meer over het leven van deze opmerkelijke jezuïet.
Op 13 maart 1599 krijgen een gewone schoenmaker Jan en de rijke burgemeestersdochter Lieske verkering. De voorname vader van Lieske wil liever een andere man voor zijn dochter. Om hun zin door te drukken zorgt het verliefde stel ervoor dat Lieske zwanger wordt. Ze moeten dan trouwen. Het paar gaat wonen in het stenen huis ‘de gulden maene’ in het centrum van Diest. Zes maanden later wordt zoon Jantje geboren.
Hij wordt gedoopt in de doopkapel van de Sulpitiuskerk. Het is nog een wonder dat de inventaris aanwezig is. 1599 is voor Diest een inktzwarte bladzijde in haar geschiedenis door de gevolgen van de tachtigjarige oorlog. De Oranjestad van de zuidelijke Nederlanden is in handen van Spanje. Spaanse huurlingen die hun soldij niet krijgen zorgen via plunderingen ervoor dat ze ruimschoots aan hun trekken komen. Om de Spaanse soldaten te kunnen onderhouden worden de bewoners van Diest verplicht er een of meer in huis op te nemen. De terreur van de overheid wordt met de week een tandje verder opgeschroefd waardoor de bewoners niet alleen financieel maar ook psychisch lijden onder deze omstandigheden.
Na het vijfde kind, Jan is dan zes jaar oud, krijgt moeder door de stress een burnout en kan ze weinig meer verdragen. De kinderen worden zoveel mogelijk de straat op gestuurd en Jan moet als een herdershond over zijn broertjes en zusjes waken. Omdat het Spaanse leger goed schoeisel nodig heeft krijgt vader Berchmans voldoende werk om zijn gezin te kunnen onderhouden.
Als Jantje zeven jaar is mag hij in Diest naar school. Daar blinkt hij uit als een wonderkind en hij slaat binnen de kortste keren meerdere schooljaren over. Latijn wordt zijn tweede taal. Het liefst wil hij priester worden, tot vreugde van zijn gelovige ouders.
Hij wordt misdienaar bij de dorpspastoor, de kanunnik Pieter van Emmerick.
Jan is een intelligente jongen en hij zit altijd met zijn neus in de boeken. In het schoenmakersbedrijf heeft hij geen interesse. Naast zijn bedrijf is vader Berchmans werkzaam als schepen in Diest. Zodoende is hij betrokken bij het stadsbestuur en de rechtbank. Als de familie van vader Berchmans zich benadeeld voelt door beslissingen van de schepen komt hij midden in een heftige familieruzie terecht. Het gevolg is dat vader Berchmans veel klanten verliest in zijn schoenenbedrijfje. Uit financiele nood moet een van de kinderen geloosd worden. Dat word de oudste zoon Jantje want die wil het bedrijf niet overnemen. Jan verlaat het ouderlijk huis dat tegenwoordig nog steeds is te bezichtigen.
De negenjarige Jantje ziet zijn wereld instorten. Een toekomst als priester ziet hij oplossen als sneeuw voor de zon. Maar de jongen heeft opvallende karaktereigenschappen die zijn omgeving niet zijn ontgaan. De jongen is altijd opgewekt. Het liefst maakt hij andere mensen blij. Daarom is hij altijd voor anderen in de weer. Gewoon omdat het hem vrolijk maakt. Hij krijgt er energie van.
Kwajongensstreken passen niet in zijn wereldje omdat hij daar geen energie van krijgt. De pastoor van het begijnhof ziet in Jantje een ideale misdienaar en dienstbode en biedt de jongen een baantje aan in ruil voor kost, inwoning en studie. En kostgeld dat vader Berchmans nog net kan betalen. Vader Berchmans is op die manier goedkoper uit dan met een groeiende en hongerige zoon. Jan ziet dit als een flinke sprong voorwaarts en verricht zijn taken met een enorme smile op zijn gezichtje. De pastoor heeft al snel in de gaten dat Jantje een bijzonder kind is. Op zijn elfde mag hij zijn eerste communie doen, een hoogtepunt voor het kind.
De zaken van vader Berchmans gaan ondertussen weer iets beter maar hij kan zijn gezin nog steeds niet onderhouden. Daarom besluit dat zijn inmiddels dertien jarige zoon Jantje in de zaak moet komen werken. Jantje gaat naar de rijke familie van zijn moeder om daar geld te bedelen om de studie te kunnen betalen. De ongewenste zwangerschap en het familiedrama zijn redenen om de tiener financieel niet te steunen. Gelukkig zijn er nog twee tantes van vaders kant die begrip hebben voor Jan. Zij wonen als begijn in de begijnhof. Moeike Maaike en Moeike Lientje. Zij stellen voor om Jantje te helpen met geld dat zij hebben gespaard voor familieleden in nood. Dank zij hen kan Jantje aan de slag in de begijnhof en er is weer geld voor de studie. De getalenteerde jongeman begint op te vallen door zijn beminnelijke karakter en intellect.
Een zekere invloedrijke Van Groenendonck hoort van de bijzondere jongen en stelt reeds na twee maanden voor om Jantje in Mechelen te laten studeren. In ruil voor de kosten mag Jantje de huisknecht van de kanunnik worden. De eigenlijke reden is dat van Groenendonck jaloers is op de school in Diest. Door de beste leerling van de school in te pikken neemt de kanunnik ‘wraak’ op de school. Jantje verdient als dienstbode zijn eigen geld en kan naar het college van de Jezuïeten in Mechelen. Jan wil niets liever dan priester worden bij de Jezuïeten. Hij is dan in staat om te reizen naar verre oorden om daar als missionaris te werken.
Een klooster omringd door muren en het dragen van een dikke pij zijn dan niet nodig. Pastoor worden in saai dorp heeft zijn interesse ook niet. Jan wil de wereld zien. Iets dat in 1615 alleen mogelijk is voor de allerrijksten. De orde van de Jezuïeten geeft hem de vrijheid die hij zo nodig heeft. Hij kan er tevens zijn roeping als priester voltooien. Zijn vader is het daar niet mee eens. Als Jan Jezuïet wordt zal hij zijn erfdeel af moeten staan aan de Jezuïetenorde. De moeder van Jan is bedlegerig en heeft waarschijnlijk niet zo lang meer te leven. De niet zo rijke vader Berchmans is dan verplicht de legitieme portie aan de jezuïetenorde te betalen. Er volgen knallende ruzies. Maar de zeventienjarige Jan zet door en treedt in bij de Jezuïeten. En weer blinkt hij uit in alles wat hij verricht. En hij heeft een nieuwe passie: toneelspelen. Het is een verplicht vak bij de Jezuïeten en bereidt de leerlingen voor op het spreken in het openbaar.
In Diest is de situatie verre van best. Een pestepidemie vergt veel slachtoffers. De moeder van Jan is er een van. Twee jaar later krijgt Jan te horen dat zijn vader het schoenmakersvak heeft verruild voor dat van priester. Een half jaar later wordt vader Berchmans dodelijk getroffen door een nieuwe pestuitbraak.
Deze tegenslagen deren Jan niet. Hij blijft behulpzaam, nederig en blij. Door zijn uitmuntende studieresultaten mag hij samen met een medestudent, Bartel Penneman, naar het collegium Romanum in Rome om daar filosofie te gaan studeren.
Hij verheugt zich op zijn eerste grote reis. Hij zal veel van de wereld gaan zien. Op 24 oktober 1618 vertrekken ze. Ze reizen in de herfst te voet en per paard via Frankrijk naar Rome. Niet het beste jaargetijde voor een tocht door Europa. Twee maanden later komen ze na een mooie maar tevens barre tocht aan in Rome.
Jan wil hoe dan ook de kamer bewonen waar zijn grote Jezuïetenheld de heilige Aloysius van Gonzaga ooit vertoefde. Hij leeft als student in de grote stad een onopvallend bestaan. Behalve een enkele opmerkelijke daad. Om zijn steun aan de maagd Maria officieel te maken ondertekent hij in 1620 een verklaring met zijn eigen bloed. Met deze daad volgt hij zijn idool Aloysius van Gonzaga die Maria eveneens hoog in het vaandel had. Zijn studieresultaten blijven uitmuntend.
Na een jaar wordt zijn medestudent Bartel Penneman ziek. Vier maanden later is hij overleden aan de bacteriële darminfectie dysenterie. Jan is inmiddels ook besmet geraakt met de aandoening. Door zijn verzwakte weerstand loopt hij ook nog een flinke longinfectie op. Hij ziet krijtwit, is sterk vermagerd, heeft koorts, migraineaanvallen en buikkrampen maar klaagt niet. Hij wil hoe dan ook zijn studie afmaken. Daarom is hij in staat om tijdens de openbare disputen van het Romeins en Grieks college verpletterende akte de présence te geven. De toehoorders staan versteld van zijn gevatheid en intellectueel perfect gefundeerde redevoeringen.
Na dit overdonderende succes stort de dan tweeëntwintigjarige jongeman in.
Zeven dagen later sluit hij voorgoed de ogen, met in zijn handen het boekje met de regels van Jezuïetenorde. “Ze zijn geschreven door bekwame mensen die er goed over hebben nagedacht hoe je de gewone dagelijkse dingen het beste kunt uitvoeren. Die richtlijnen geven mij een houvast om gefocust te blijven op wat ik echt wil in het leven. Daarom geeft dit boekje een goede structuur”, aldus Jan. Zijn dood verspreidt zich als een lopend vuurtje in Rome.
Jan Berchmans heeft voor de katholieke mensen anno 1621 alle eigenschappen die een heilige moet hebben. Het ziet daarom zwart van de belangstellenden rondom de stellage waarop de overleden jongeling is opgebaard. Omdat de mensen hem als een heilige beschouwen gaan ze niet naar huis zonder relikwie. Ze scheuren stukken stof van zijn kleding, knippen nagels en haren van het lijk. Er wordt zelfs een teen gestolen. Een vrouw met een schijnbaar slecht zicht beweert dat ze door de aanraking van de baar het zicht in haar ogen heeft teruggekregen.
In het Italiaanse Verzuolo onder de rook van Turijn lijdt in 1864 een non aan terminale botkanker in haar benen. Als ze een klein reliek van Jan Berchmans op haar benen legt is ze binnen een paar dagen genezen. De vervormingen die de ziekte in haar lichaam heeft aangericht zijn dan volstrekt genormaliseerd. In 1886 roept de terminaal zieke Amerikaanse novice Mary Wilson in gebed haar held Jan Berchmans aan. Op haar zieke plekken plaatst ze bidprentjes van Jan Berchmans. Ze blijkt op slag genezen.
Ondanks deze twee opmerkelijke wonderen duurt het nog bijna drie eeuwen voordat Jan Berchmans na zijn dood in 1621 heilig wordt verklaard. Zijn motto “probeer in je leven niet iets fenomenaals te bereiken maar probeer de alledaagse dingen buitengewoon goed te doen” is een mooie omschrijving voor deze jongeman. Op vijftien januari 1888 wordt Jan Berchmans aan de officiële heiligenlijst toegevoegd. Een heilige die zijn status niet heeft verkregen wegens hoge donaties aan de kerk, het kerstenen van veroverde gebieden of financiële lokvogel voor steden en kloosters, maar gewoon voor wie hij was in al zijn eenvoud als Jan met de glimlach. Juist daarom werd hij de volmaakte Jezuïet.