Friet (2)

KOKEN 9 oktober 2025 Redactie Alex De Vliegere – foto familiearchief
25100901friet2.jpg

Mijn opa André bouwde in 1947 een mooie houten frietkraam op de hoek van de Dijklaan en de Plataanstraat. Toen in 1948 koningin Wilhelmina na 50 jaar op de troon te hebben gezeten deze doorgaf aan Juliana had hij bovenop de kraam een gepaste huldeblijk aangebracht: twee grote Nederlandse leeuwen met daartussen een Wilhelminaportret, omhangen met guirlandes en feestelijk verlicht door gekleurde lampen. Hij had die lampen eigenhandig geschilderd in rood, wit, blauw en oranje.

Die lampen in hun oude bakelieten fittingen hebben dertig jaar later, in mijn vroege jeugd,  mijn examenfeestje nog van sfeer voorzien. De gemarmerde zuilen aan weerszijden van de entree van de kraam waren de welstandscommissie een doorn in het oog, veel te paleizerig, dus ze moesten verdwijnen. In 1968 werd de tent afgebroken.

 

We mogen wel van geluk spreken dat een echte Belg de Nederlanders frieten leerde eten want wat de Engelse en Amerikaanse soldaten na de bevrijding mee naar huis namen was letterlijk een slap aftreksel van Belgisch trots. Er is niks mis met Fish en Chips met vinegar maar zunne, ge moet dat niet met frieten vergelijken hè. Die chips worden in een keer gaar gebakken en zijn daarom niet krokant. Ze zijn zacht van binnen maar… ook van buiten.

 

Om dat euvel op te vangen sneden de Amerikanen de frietjes heel dun en noemden ze het french fries. Gefrencht slaat hier op de manier van snijden, het heeft niks met de Fransen te maken. Deze luciferfrietjes zijn aan de buitenkant krokant maar… aan de binnenkant ook. Goede frieten zijn mals van binnen en krokant van buiten. En niet al te vet.

 

Voor fijne frieten neemt men het beste een stevige bint, liever niet een te kruimige, uiteenvallende aardappel. Zo dun mogelijk schillen, schrappen zoals bij wortels is beter omdat veel van de kracht van de patat juist onder de schil schuilgaat. De Fransen bakken ze vaak met schil en al, in dat geval goed wassen en de ingroeisels, de pitten er goed uitsnijden, ze ogen niet smakelijk en zijn na het bakken zwart, stug en niet gezond. Het zijn uitlopers die eigenlijk meer bij het groen dan bij de knol van de aardappelplant horen en ze kunnen sporen van solanine bevatten, het nachtschadegif dat in de hele plantenfamilie van de aardappel voorkomt (zoals in de tomaat, de aubergine en de zeer giftige zwarte nachtschade).

 

Als de pieper pitvrij is vormt hij een gezonde bron van voedingsstoffen, met name vitamine C en het snel in suikers omzetbare zetmeel zijn ruimschoots aanwezig. De aardappel werd niet voor niets hét volksvoedsel van onze contreien. In fris water zijn geschilde aardappels redelijk houdbaar, conserveringskorrels verbeteren de houdbaarheid wel maar het blijft natuurlijk troep, goed afspoelen is dus het minste wat je kunt doen. Bewaar de aardappels niet te koud want dan wordt er veel zetmeel omgezet in glucose en worden ze zoeter, bij het bakken wordt er dan karamel gevormd en daardoor krijg je hele donkere en slappe zoetige friet. Frieten eten we bij voorkeur met de vingers, uit een puntzak of tuut, met dikke mayo, al slenterend door de motregen!

Zelf bakken?

Schillen en handmatig in dikke repen snijden. Kleine aardappeltjes leveren ‘kaantjes’. Droogdeppen en, afhankelijk van de dikte, 4 à 5 minuten voorbakken in het gewenste vet op 160 – 165 graden. Rustig laten uitlekken en afkoelen. Daarna kort afbakken in heet vet (180-190 graden, maar niet laten walmen! Hierdoor worden de voorgegaarde frieten krokant en net even iets minder vet. Oefening baart kunst, zoals gebruikelijk. Ga ervoor en eet smakelijk!