Tijdens een ijskoude winternacht worden ze gewekt door hulpgeroep vanaf de overkant van de rivier. Julianus ziet in de donkere nacht het schijnsel van een lantaarn. De kaarslamp wordt vastgehouden door een pelgrim. Hij aarzelt niet om de reiziger op te halen met zijn roeiboot. Basilissa vergezelt hem daarbij. Aangekomen aan de andere oever zien ze dat de pelgrim melaats en zwaar ondervoed is. Desondanks helpen ze de zieke in hun bootje om hem naar de overkant van de rivier te brengen.
Dan volgt een episode die op een variant lijkt van het verhaal van de heilige Christoffel die het kind Jezus op zijn schouders zet om het veilig naar de overzijde van een ondiepe rivier te brengen. Als Julian de boot naar de overkant roeit wordt duidelijk dat de zieke man nogal op Jezus lijkt die vermomd is als een oude pelgrim met een dodelijk besmettelijke ziekte. Het blijkt inderdaad Jezus te zijn die in hoogsteigen persoon het verraste echtpaar komt vertellen dat zij klaar zijn met hun boetedoening. Hun zonden zijn vergeven omdat ze vrome behulpzame mensen zijn geworden.
De ochtend erna meert bij een dorpje een bootje aan. In het bootje ontdekt men een bevroren overleden man en vrouw aan, beiden met een gelukzalige glimlach op hun gezichten. Julianus en Basilissa hebben door hun onbaatzuchtige naastenliefde de heiligenstatus verdiend en zijn de patroonheiligen van reizigers, herbergiers en pelgrims geworden.